lichess.org
Donate
theepot met schaakmotief

eigen foto

100 jaar geleden: Nimzowitsch wint Dresden (4-11 april 1926)

ChessTournament
Dresden 1926: één van de grootste successen van Nimzowitsch

Het probleem met een blog schrijven is dat ik wel weet dat frequent schrijven een goed middel is om een lezerspubliek te behouden, maar dat ik die vaste frequentie niet per sé wil aanhouden, gezien ik nog andere zaken in mijn leven heb, buiten een blog gaande houden. Daarnaast heb ik wel voldoende materiaal, maar dat laat ik soms wat te lang sudderen en pruttelen, alvorens ik tijd vrijmaak om er een definitieve versie van te maken. Zo ook dit artikel, dat stapsgewijs tot stand kwam, en uiteindelijk veel te groot is geworden...

Terugkijken in de tijd zie je vaak op diverse media. 10-20-50-100 jaar terugkeren, het komt voor in video’s, TV-uitzendingen, boeken, en ... blogs. Niet altijd uit nostalgie, maar gewoon om eens de sprong in de tijd vast te stellen. Voor zaken die je actief hebt meegemaakt, is zo’n oefening een plotse gewaarwording van hoe oud je bent. Ik herinner me als beginnend clubschaker nog de eerste KK-match en het kandidatentornooi van Montpellier, dat in ons clubtijdschrift besproken werd – 40+ jaar geleden dus. De strijd Karpov-Kortchnoi (Merano 1981) beleefde ik passief, toen was ik als dertienjarige nog niet bij een club aangesloten.

Dat besef moet even bezinken, maar tja, ouder worden gebeurt nu eenmaal geleidelijk aan, en het is maar nu en dan dat je beseft dat er al zoveel jaar verstreken zijn. Nu is dat besef niet uitsluitend voorbehouden aan de oude generatie. Jongeren kunnen zich nu al voorstellen dat ze Obama, de Olympische Spelen van Parijs, de Covid-epidemie, Brexit, of op schaakgebied Ding Liren en Gukesh Dommaraju als WK hebben meegemaakt.

Ik spring dus even op de retro bandwagon. We vergeten vaak hoe sterk sommige niet-WK’s waren in hun topperiode. Slechts omdat hun piek niet samen viel met een gunstig moment (geen sponsor, WK wil geen match toestaan, FIDE WK-cyclus valt niet samen met vormpiek, zwakke gezondheid, ...) werden ze geen WK. Het omgekeerde komt ook voor, wanneer er een gat valt tussen supertalenten (zoals nu in de post-Carlsen periode, waarmee ik niet wil zeggen dat Ding Liren en Gukesh Dommaraju zwakke spelers zijn), of wanneer de WK een dip heeft (Euwe, Tal, Smyslov).

Één zo’n topspeler die nooit WK werd, was Nimzowitsch, die 100 jaar geleden in Dresden één van de beste tornooien van zijn leven speelde. Als we het over fenomenale prestaties tussen 1900 en 1940 hebben, dan komen Capablanca (San Sebastian 1911), Lasker (Moskou 1914 en New York 1924), Aljechin (San Remo 1930, Bled 1931 en ook Zurich 1934) boven drijven. Dresden 1926 was voor Nimzowitsch zo’n tornooi. Het werd georganiseerd door de club van Dresden, om zijn 50ste verjaardag te vieren.

Nimzowitsch was geen gemakkelijk karakter, hij zocht vaak het conflict op, kon zich storen aan tics van zijn tegenstander en kon moeilijk tegen zijn verlies. Zelfs als jongeman was hij een grumpy old man, moeilijk om vriendschappelijk mee om te gaan. Zo vertelt Vidmar in Goldene Schachzeiten dat Nimzo gepikeerd was dat Vidmar, als echte amateur (Vidmar was een beroemd professor in de elektrotechniek), in tornooien meespeelde en zo prijzengeld afsnoepte van de (arme) professionele schakers.

Nimzowitsch overleed op amper 49-jarige leeftijd (1886-1935), en maakte zo gelukkig WOII niet mee. Had hij echter de honderd jaar benaderd (zoals Lilienthal of Averbakh), dan had hij nog in de jaren 80 van de vorige eeuw geleefd (met andere woorden, hij had nog de opkomst van Kasparov kunnen meemaken).

Maar goed, had mijn tante wieltjes dan was het een karretje. Net als generatiegenoot Rubinstein had hij zijn momenten in de zon, en liet hij een grote schaakerfenis na. Herinneren we ons van Rubinstein vooral zijn eindspelen, dan denken we bij Nimzowitsch vooral aan “Mein System” (geniaal geparodieerd door Hans Kmoch – lees zeker eens deze analyse).

Dresden was in 1926 nog een mooie stad; het Florence aan de Elbe was één van de mooiste steden van Europa, waarvan de bewoners in die periode een overgang meemaakten van de Belle Epoque mode naar vroeg-Weimar. In 1926 werd er een grote tuinexpo gehouden, er reden elektrische trams, de opera was één van de meest prestigieuze in Europa. Het bombardement in WOII zo de stad zo grondig vernietigen, dat er tot op heden nog werkzaamheden bezig zijn om de stad in zijn oude glorie te herstellen.

Wat leefde er in de maatschappij van de Weimarrepubliek in 1926? Duitsland herstelde zich eindelijk langzaam van de wurggreep van herstelbetalingen aan de geallieerde overwinnaars en de hyperinflatie van 1923, en zou in september van dat jaar toetreden tot de Volkenbond. Hitler had nog maar pas (in 1924) de gevangenis verlaten, en de nazipartij (opgericht in 1919-1920) stond nog maar in de kinderschoenen – zo zou Goebbels pas zijn klim naar de partijtop beginnen in datzelfde 1926. 1926 was een jaar met veel nieuws, hoewel het belang van dat nieuws pas veel later zou blijken. Robert Goddard lanceerde als eerste een raket met vloeibare brandstof, de eerste telefoonverbinding tussen London en New York was een feit en de spuitbus werd uitgevonden door Erik Rotheim. In Japan werd Hirohito keizer, en in Amerika introduceerde Ford de vijfdagenweek van 8 uur per dag voor zijn werknemers.

De Brit Alan Alexander Milne schreef Winnie-the-Pooh en Ernest Hemingway The Sun Also Rises. George Bernard Shaw had de Nobelprijs literatuur gewonnen in 1925 en in 1926 zou die gaan naar de Italiaanse Grazia Deledda. Het toont de vluchtigheid van roem aan Shaw is tot op heden een bekende naam; Deledda is nu quasi onbekend. Op culinair gebied was er in die periode voor de hogere klasse de opmars van cocktails (zoals de Sidecar) bezig (we zitten in de roaring twenties van The Great Gatsby), en voor de lagere klassen in België, de opkomst van de sterke bieren met hoog alcoholpercentage, om zo tegemoet te komen aan de dorst van de vele fabrieksarbeiders, nadat het serveren van sterke dranken in cafés verboden werd. Voor wie die periode met een Amerikaanse bril wil bekijken, is Bill Brysons boek “De zomer van 1927” een vlot leesbare aanrader.

Terug naar het schaken. Wat de spelers toen niet wisten, was hoe hun onderlinge verhoudingen precies waren. Ze hadden enkel tornooi- en matchresultaten ter beschikking om de sterkte van een tegenstander in te schatten. Aljechin had het jaar ervoor Baden Baden gewonnen, voor Rubinstein, Sämisch, Bogoljubov, Tartakover, Marshall, Rabinovich, Grünfeld en Nimzowitsch. Dat maakte Aljechin ook weer favoriet om dit tornooi te winnen.

Nu hebben we edo-ratings en zo weten we dat Aljechin (toen nog geen WK) 2707 "elo" had, en hiermee Nimzowitsch (2644), Rubinstein (2580), Tartakover (2531) en Johner (2478) voorafging. Die volgorde werd min of meer gerespecteerd – enkel de mij verder onbekende Walther von Holzhausen (2355) speelde opvallend goed en scoorde 4/9. Een tornooiboek bestaat (nog) niet van dit tornooi – vroeger was Caissa Editions the place to be om nieuwe uitgaven van lang vervlogen tornooien te bekomen, maar sinds het overlijden van Dale Brandreth (1931-2019) is ook deze bron opgedroogd.

In de eerste ronde speelde Nimzo tegen Max Blümich en won eenvoudig. Tegen zet 24 had hij zes keer met zijn dame gespeeld, en hiermee een goed eindspel bekomen. Blümich mistastte in tijdnood en liep in een paardvork: 0-1. Aljechin toont meteen zijn vorm, door met zwart Friedrich Sämisch in een fijn gespeelde positionele partij op de knieën te brengen. Het partijslot – een dubbel toreneindspel vanaf zet 30, waarbij wit met een geïsoleerde a- en c-pion zit, is een voorbeeld hoe zo’n stellingen aan te pakken. Wit houdt de schade beperkt, maar na zet 39 (bij gelijk materiaal), staat zwart veel actiever en is de winst binnen.

Zoals voor zoveel spelers geldt, was de stijl van Nimzowitsch niet eenvoudig te copiëren. In zijn volgende partij, tegen Johner speelt hij op zet 16 zijn dame naar h7 (vlakbij zijn gerokeerde koning), wat 22 zetten later goed uitpakt omdat hij dan Dh3 kan spelen en wit geeft twee zetten later op. Maar Johner was een subtopper, en dan kan je je wel iets permitteren – of anders gezegd, je kan je stijl opleggen aan de zwakkere speler, en zo een “meester-tegen-amateur” partij op het bord brengen. Aljechin rolt in die tweede ronde Blümich op in amper 21 zetten.

https://adjva4.dpdns.org/study/YJNG0vbQ/bTEgqOpw#0

In de derde ronde speelt hij een soort Hollands met wit tegen Aljechin. Zwart krijgt een vrijpion, die wit blokkeert met zijn slechte loper. Hij krijgt het moeilijk – Aljechin speelt à la Nimzo, door gedurende een groot deel van de partij met bijna al zijn stukken op zijn onderste rij of op de rand te spelen. Hij speelt gedurende zo’n 15 zetten bijna exclusief met zijn dame en paard. Wanneer Aljechin zijn goede spel kan bekronen met 35...Lxb5, speelt hij eerst 35...Tc8 en Nimzo laat de remise niet liggen.

In de vierde ronde gaat het lange tijd gelijk op tegen de één jaar jongere Tartakover. De witspeler verliest uiteindelijk zijn geduld en Nimzo maakt het vlekkeloos af. Na vier ronden hebben de grote favorieten het podium al in handen. Rubinstein leidt met 4/4, gevolgd door Nimzowitsch (3,5) en Aljechin (3), die in de vierde ronde niet verder kwam dan remise tegen Johner – het evenwicht in die partij wordt nooit verbroken.

In de vijfde ronde mocht hij aantreden tegen Rubinstein en in deze partij speelt hij één van de belangrijkste concurrenten voor het podium van het bord. Vooral het fijne 34.b5 dwingt zwart op de knieën, maar eerder al had hij zijn hand niet kunnen bedwingen om een typische Nimzo zet te spelen: 18.Ph1! De partij zal de prijs krijgen voor beste partij.

https://adjva4.dpdns.org/study/YJNG0vbQ/r8JnzoQi#0

Aljechin blijft als een schaduw aan Nimzowitsch plakken met een lichtjes briljante overwinning op Tartakover. Vanuit een dameloos middenspel dwingt hij de winst af tot een glad gewonnen eindspel op het bord staat.

Rubinstein verliest in ronde zes opnieuw, nu van Aljechin, en is hiermee uitgeschakeld voor de eerste prijs. Ondertussen wint Nimzo van Lajos Steiner een moeilijke, taktisch bijna onoverzichtelijke partij, waarbij hij weer de gekste zetten speelt. Zijn commentaar op deze partij mag er ook zijn, bv na zwarts 7de zet (7...h6) schrijft hij : zwart heeft tijd – wit zit zonder effectieve zetten. Maar hij krijgt gelijk en al op zet 11 tast wit mis en geeft wat rest van zijn openingsvoordeel weg en komt slechter te staan. Op zet 14 speelt Nimzo 14...Pd8, om veld f7 te dekken en om zelf f7-f5 te spelen. Daarna gaat het snel.

https://adjva4.dpdns.org/study/YJNG0vbQ/ArRJq7nB#0

Nimzo wint dus van Steiner en hiermee is het tornooi feitelijk afgelopen. De twee protagonisten winnen hun drie resterende partijen en aan de stand op kop verandert weinig meer. Zo wint Nimzo het tornooi met 8,5/9, een halfje voor Aljechin.

Het jaar erop wint Capablanca het sterk bezette tornooi van New York, wat hem favoriet maakt voor de WK-match later dat jaar tegen Aljechin. Maar Aljechin wint de match met 6-3. Nimzowitsch houdt zijn goede vorm aan en wint op vechtlust (+7,=2,-2) het tornooi van London, ex aequo met Tartakover (beiden 8/11). Marshall wordt derde (7,5), dankzij een overwinning op Nimzowitsch, Vidmar vierde (7) en Bogoljubow vijfde (7). In het NK USSR van 1927 steekt een 16-jarige Botvinnik zijn neus tegen het venster.

Voor wie een goed artikel wil lezen over Dresden 1926, zie vooral hier - bij het schrijven van dit artikel heb ik hier geen beroep op gedaan, dus er kunnen andere inzichten/standpunten in staan.

Wie wil bijlezen over Nimzowitsch kan zeker terecht bij de uitstekende biografie of kan gewoon deze website over Nimzowitsch bezoeken.